Lees Ook

Massaproductie met een seriegrootte van 1

Industry 4.0-onderzoek door PwC en Flanders Make

Massaproductie met een seriegrootte van 1
Bij een bevraging van PwC en Flanders Make naar de maturiteit van de ‘digitale onderneming’ beweert niet minder dan 86% van de Vlaamse bedrijven minstens even ver te staan als de internationale concurrentie wat betreft de introductie van de concepten van Industry 4.0. Die concepten draaien allemaal rond processen digitaliseren en verbanden leggen tussen de verschillende types van data. De onderzoekers zetten evenwel vraagtekens bij dat zelfvertrouwen omdat blijkt dat andere landen veel meer investeren om die doelstellingen te behalen. Het allergrootste probleem dat de Vlaamse ondernemingen vrezen, blijkt het tekort aan technisch personeel.
De term Industry 4.0 werd voor het eerst gebruikt in 2011 toen de Duitse overheid het initiatief nam om de binnenlandse productie te verstevigen. Dat gebeurde door de digitalisering van het productieproces te promoten. In de nasleep van dat initiatief heeft de term verschillende interpretaties en concurrerende benamingen gekend zoals ‘industrial internet’ of ‘digital factory’. Belangrijker is dat er een stap werd gezet voorbij de verwezenlijkingen van Industry 3.0, waar de nadruk lag op de automatisering van individuele machines en processen. De eerdere stappen zouden dan zijn de uitvinding van de stoommachine en de introductie van de assemblageband.
Industry 4.0 staat voor de volledige digitalisering van alle fysieke productiemiddelen en de integratie daarvan in digitale ecosystemen met externe partners in de waardeketen. Data staan daarbij centraal. Data produceren en verzamelen, en de naadloze communicatie zijn de noodzakelijke voorwaarden voor het succes van Industry 4.0.
 
In zijn wereldwijde onderzoek vertrekt PwC van een aantal stellingen. De eerste is dat de digitalisering zal leiden tot een verdere integratie van de horizontale en verticale waardeketens. Dat leidt tot een betere visibiliteit op de processen van productontwikkeling en aankoop tot aan de verkoop en onderhoud waardoor efficiëntieverbeteringen mogelijk zijn. Door de horizontale integratie kan de kennis van partners buiten het eigen bedrijf worden gebruikt voor nieuwe processen en de ontwikkeling van betere producten.
Een tweede stelling van PwC is dat er door de toenemende digitalisering een nieuw soort product of dienstverlening zal ontstaan. De introductie van het Internet of Things en technieken voor de bewaking op afstand van de toestand zullen die toestellen intelligenter maken. Daardoor wordt het ook mogelijk heel nieuwe types van dienstverlening te ontwikkelen. Bij dat alles zal de mens een sleutelrol blijven spelen. Nu al ondervinden bedrijven grote moeilijkheden om de juiste talenten te vinden. De voortdurende opleiding en bijscholing zullen daarom cruciaal zijn voor het succes van Industry 4.0.
 
Het Vlaamse luik van dit onderzoek werd ondersteund door Flanders Make, een strategisch onderzoekscentrum voor de maakindustrie met vestigingen in Lommel en Leuven. Flanders Make werkt structureel samen met onderzoeksafdelingen van vijf universiteiten. Het is de doelstelling een onderzoeksnetwerk te ontwikkelen waar maakbedrijven steun vinden voor hun innovatietrajecten. De focus ligt op innovatie in mechatronica, productontwikkelingsprocessen en productietechnieken.
CEO Dirk Torfs: “We hebben daarvoor contacten met bedrijven uit verschillende sectoren die samen willen werken rond bepaalde gemeenschappelijke thema’s en brengen hen in contact met de universiteiten en kennisinstituten die op dat vlak knowhow in huis hebben. We zien daarbij als grote tendens dat eindklanten heel specifieke vragen hebben voor het product dat daardoor sterk geïndividualiseerd wordt. Bedrijven moeten daarop inspelen met hun bestaande fabrieken en ateliers. Zij moeten de combinatie maken van massaproductie met een seriegrootte van 1.” 

​Veeleisende markt

De enquête focust zich op een aantal uitdagingen waar bedrijven mee kunnen kampen. Die kunnen zowel van buiten het bedrijf komen als met interne processen te maken hebben. De belangrijkste drijfveer voor de hele beweging rond Industry 4.0 zijn de gewijzigde verwachtingen van klanten. Zo zegt 77% van de bedrijven dat klanten kortere leveringstijden eisen en wijst 73% op de gestegen vraag naar flexibele producten. In het meest extreme geval verwijzen ze dan naar het principe van batchgrootte 1. Daar heeft 57% van de respondenten al mee te kampen. 

​Het heeft al effect

Een zeer opvallend resultaat van de enquête is het grote effect op dit ogenblik. Niet minder dan 93% van de deelnemers aan de enquête ondervinden nu al de gevolgen van de nieuwe manier van produceren. De helft beweert dat het principe nu al is toegepast, 33% zegt bezig te zijn met de voorbereidingen, 17% denkt aan de invoering ervan.
Daarbij werd ook gevraagd naar de paraatheid van de bedrijven om de concurrentie aan te gaan met bedrijven uit andere regio’s. 86% van de organisaties beweert minstens even ver te staan als de concurrenten. Er heerst dus een zeer groot vertrouwen bij de Vlaamse bedrijven. Ze zijn klaar met de invoering van de nieuwe concepten en hoeven niet onder te doen voor collega’s uit het buitenland.
Peter Vermeire, partner PwC Belgium: “Dat vind ik echter heel optimistisch. Uit de enquête blijkt namelijk ook dat de Vlaamse bedrijven beduidend minder investeren in de middelen die nodig zijn voor Industry 4.0. De deelnemers in ons land investeren gemiddeld 3% van hun omzet in de digitale operaties. Wereldwijd ligt het gemiddeld op 5%. Dat is toch een groot verschil.” 

​Significante performantieverbetering

Het effect dat die investeringen kan teweegbrengen is echter heel uiteenlopend. 18% van de respondenten ziet een mogelijke stijging van de omzet, 13% mikt op lagere kosten, 12% op efficiëntieverbeteringen en 8% wil zijn marktaandeel vergroten.
Dirk Torfs: “Het is heel opvallend dat veruit de meeste Vlaamse ondernemingen verwachten dat hun ‘topline’ (omzet) niet zal vergroten. Maar een zestal bederijven heeft net heel hoge verwachtingen op het vlak van extra verkopen. Zij zien de invoering van digitale productieprocessen als een disruptie die aanzienlijke meerinkomsten (minstens 30%) moet genereren voor hun bedrijf.”
 
Geert Ostyn, VP Weaving Machines bij Picanol, geeft daarover een concreet voorbeeld uit de eigen praktijk: “Onze weefmachines zitten nu al vol met sensoren waarmee we ook allerlei acties in de machines kunnen aansturen. Dat levert ook een pak gegevens op die een extra dienstverlening zouden toelaten. Maar wij hebben ervoor geopteerd die bijkomende diensten niet te verkopen, maar in de prijs van de machine onder te brengen. Het komt erop neer dat de klanten eigenlijk een betere weefmachine kunnen kopen en dat wij zo meer omzet kunnen boeken. Dat blijkt in de praktijk ook goed te lukken. We merken nu dat klanten onze machines daardoor anders gaan gebruiken. Vroeger waren ze in de eerste plaats geïnteresseerd in snelheid om méér te kunnen produceren. Nu zien ze dat onze machines bijvoorbeeld de kwaliteit van de draad kunnen beoordelen door de spanning ervan voortdurend te meten. De machine past dan de weefsnelheid aan om te verhinderen dat de draad breekt. Sommige klanten kiezen nu voor onze machines net omdat ze dan de optie krijgen om met een goedkopere draad te weven.”

​War for talent

De bedrijven die aan de enquête deelnamen vinden het tekort aan technisch geschoold personeel hun grootste probleem. Met 87% is dat antwoord dezelfde topscore als op de vraag naar de grootste uitdagingen. Dat heeft enerzijds te maken met een te kleine instroom van nieuwe mensen naar de technische en wetenschappelijke richtingen in de Vlaamse onderwijsinstellingen. Maar anderzijds wijst het ook op een probleem in de bedrijven zelf. De huidige medewerkers van de productiebedrijven zijn niet klaar voor de nieuwe manier van werken. “Maar dat vraagt ook een mentaliteitswijziging bij de bedrijven zelf, want heel vaak zijn die medewerkers in hun privéleven wel helemaal mee met de nieuwste tendensen op het vlak van mobiele technologie, sociale media en gespecialiseerde apps. Het komt er dan op aan die openheid voor vernieuwingen ook te capteren in het bedrijf en ze ook daar op een nieuwe manier te laten werken”, meent Geert Ostyn. “Dat is niet zo gemakkelijk en het vereist van bedrijven zeer grote investeringen op het vlak van bijscholing en coaching. Die inspanning zal trouwens gedurende lange tijd moeten worden volgehouden. Maar de opleiding van de eigen mensen heeft als voordeel dat zij wel al voeling hebben met het product en de manier van werken. Daarenboven stellen wij vast dat de technologie net heel goed in staat is om mensen bij te staan in de productie, waardoor ze ook taken aan kunnen die ze voordien niet uitvoerden.”

​Collaboratie

In het kader van Flanders Make bestaat er nu al een goede samenwerking tussen bedrijven om gemeenschappelijke kennis te ontwikkelen die nuttig kan zijn voor alle deelnemers aan het project.
Dirk Torfs: “Op die manier ontstaat toch een gunstige omgeving voor de Vlaamse bedrijven om samen vooruit te gaan. Daarbij is het echter nodig dat de kleinere bedrijven ook blijven meedoen. In het industriële ecosysteem nemen de kmo’s steeds meer heel specifieke opdrachten op zich en de grote bedrijven maken daar gretig gebruik van. Die samenwerking zal alleen maar toenemen.”
 
“En dat vereist ook van de grote bedrijven meer communicatie. We weten dat in de crisis heel wat van die samenwerkingsverbanden onder druk kwamen te staan door de drastische dalingen in de productievolumes. Daardoor is de verhouding toch ook kritisch bekeken. De opdrachtgevers moeten daarom meer informatie over komende opdrachten doorgeven zodat de kmo’s zich beter kunnen voorbereiden en zelf ook flexibel op de bewegingen van de markt kunnen inspelen”, besluit Geert Ostyn.

​De studie

De enquête werd uitgevoerd in het kader van een wereldwijd onderzoek van PwC ‘Building your digital enterprise’ in een samenwerking tussen PwC België en Flanders Make, zodat het mogelijk was een vergelijking te maken tussen de resultaten in Vlaanderen en die van de rest van de wereld. Het onderzoek bestond uit een reeks interviews met relevante experts van vooraanstaande industriële bedrijven in Vlaanderen. Bedoeling was de graad van maturiteit in te schatten in Vlaanderen en een zicht te krijgen op wat onze organisaties als hun toekomstige uitdagingen en opportuniteiten zien.
 
Aan het onderzoek namen dertig bedrijven deel die samen goed zijn voor een omzet van 16,4 miljard euro en meer dan 33.000 mensen tewerkstellen. M.n. Volvo Trucks Gent, Barry Callebaut, Atlas Copco, Audi Brussels, CNH Industrial, Barco, Unilin, Van Hool, Picanol group, Philips Lighting Belgium, Tenneco, Van de Wiele, Bombardier transportation, Punch Powertrain, Voestalpine Sadef, Siemens Industrial Software, VCST Industrial Products, VDL Bus Roeselare, Van Hoecke automation, Carta Mundi, TE Connectivity, Camco, Brouwerij Martens, IMA, Premium Sound Solutions, Stora Enso, Niko group, Octinion, dotOcean.
 Onderwerp: Digital Business 
Lees Ook
X